Tuesday, 05 January 2016 17:45

Saar's discoveries 3: childhood dreams

Written by
Rate this item
(3 votes)

“Mama, wat wou je later worden, toen je klein was?” “Jouw mama”, zeg ik, en ik kijk hem liefdevol aan.

Even speelt er een glimlach rond zijn lippen, en dan, met een geveinsde irritatie in zijn stem: “Ja maar, oh zeg, mamàààààà , dat bedoel ik toch niet! Wat wou je gaan doèn? Wie zou je zijn?”

En zo nodigt mijn zesjarige wonderjongen me uit tot een grondige introspectie. “Wie ben ik, als ik nièt ziek ben?”

Het is een vraag die vele langdurig zieke mensen zich stellen, weet ik. Het is geen sinecure om je na jarenlange miserie niet te identificeren met je pijn en strijd. Strijd om gezondheid, om erkenning, om liefde, om aandacht, om hulp, om geld, om begrip, om slaap, om rust, om aangepaste voeding, om medicatie of supplementen, om pijnvrije momenten als die al haalbaar zijn, om het krijgen van een rolstoel, om een uitkering, om stilte, om tijd … Noem maar op.

Als je daarin slaagt, als je erin slaagt “te hebben, maar niet te zijn”, dan kom je dus aan die fameuze “wie ben ik, als ik nièt ziek ben?”. Angstaanjagend moment, dat kan ik je op een blaadje geven. Want hoe zwaar die ellende ook mag wezen, het is joùw ellende. Het is veilig. Het is bekend. Je kent misschien weinig anders dan dat.

Vermoedelijk zie je er onderhand ook al wel de voordelen van in, laten we eerlijk zijn.. Dus daar sta ik dan, open en bloot.

“Wie ben ik, als ik nièt ziek ben?”

Ik ben mama van een magisch schepsel, dat staat vast. Ik ben echtgenote van mijn mooie echtgenoot, al kan het net zo goed zorgbehoevende van mijn verzorger zijn, of andersom. Ik ben dochter van mijn lieve moeder en vader, omwille van mijn lijf in een grote afhankelijkheidsrol, dewelke geen enkele volwassen, trotse, zichzelf respecterende 37-jarige vrouw vrijwillig op zich zou nemen. Of waarmee ze haar onvoorwaardelijk liefhebbende ouders zou willen belasten.

Ik ben kleine zus van mijn grote zus. Of van mijn grote kleine zus, of van mijn kleine grote, aangezien ze kop en schouders kleiner is dan ik. Maar in dapperheid en wilskracht moet ze geen sikkepit onderdoen.

Ik ben ziele-zus van een handvol schatten van vrienden en vriendinnen, die al die jaren bleven staan, zonder oordeel, ook al begrepen ze er net zomin iets van als ikzelf. Ook van een aantal veelbelovende nieuwe, die ik al kende nog voor ik ze zag, en die die “belofte” al duizendmaal vervulden nog voor ik ze opnieuw mocht ont-moeten.

Maar dat is geen antwoord.

Wie ben IK, onder al die rollen? Ik weet dat zoeken naar een antwoord op deze vraag is als reiken naar de sterren: het lijkt alsof ik ze zo uit de hemel kan plukken, maar ze aanraken doe ik nooit. Althans, ik als “grote” mens niet. Maar een kind omhelst het hele universum, met gemak. Misschien moet ik dus maar eens terug naar mijn kinderdromen, om enigszins duidelijkheid te scheppen.

“Mama, weet je nog wat ik vroeger wilde worden? Waar ik van droomde?” We zitten in de badkamer. Of beter, ik lig, en zij zit. Verbonden door een dun darmpje met een ventiel. Zoals ontelbare keren daarvoor. Ik moet je misschien even inwijden in de wondere wereld der “darmspoelingen”.

Indien je, net zoals ik, Late Stage Lyme hebt ( hebt dus, niet bent!), vertel ik je waarschijnlijk niets nieuws. Voor alle anderen, even doorspoel .. euh.. bijten.

Darmspoelingen zijn een uitstekend middel om neurotoxines van afstervende bacteriën uit je lichaam te verwijderen en zo herxheimer-reacties draaglijk te maken (weet je nog? Die waarbij je moet denken: “Joepie, het beest gaat dood!” Maar waarbij je eigenlijk wil schreeuwen: “Nog even en ik wil zèlf dood!).

Bij voorkeur dus na elke behandeling die dit doel dient. Een behandeling die je in vele gevallen misselijk, uitgeput, bevend, kreupel van de pijn en als een emotioneel wrak achterlaat. In mijn geval, op dit ogenblik in de tijd, één maal per week. Liters water die je darmen schoonspoelen dus, en neen, niet via je mond. Als je er wat biologische koffie bij mikt opent dat je lever. Het orgaan dat het het zwaarst te verduren krijgt bij een die-off.

Ik ben ze onderhand gewoon, die spoelingen, ik ben de tel kwijtgeraakt doorheen de jaren; Ik ken hun waarde, maar wennen doen ze nooit. Nu weet ik niet hoe dat bij andere beoefenaars van de kunst der darmspoelingen zit, maar persoonlijk vind ik dat de persoon die je eventueel helpt een medaille verdient.

In mijn geval is dat mijn moeder. De shit die zij over haar heen krijgt! En dan bedoel ik emotionele shit (nu had ik je, toch? :) ), want die moet er ook eerst uit, voor het wat opklaart. Roepen, tieren, huilen, wanhoop, sarcasme, de slappe lach, alles passeert de revue. En zoals steeds bewaart zij haar kalmte.

Wanneer de emotionele storm en de krampen na een paar rondjes wat gaan liggen , beginnen we wel eens spontaan te filosoferen. Ik kan me voorstellen hoe ontzettend lachwekkend dit moet overkomen als je, net zoals ik, een beelddenker bent, maar het zou je verbazen tot welke inzichten je kan komen tijdens een paar uurtjes op de pot. Ik zou het nog net geen “quality time” noemen.

“Ik wilde archeoloog worden. Ik zou verdwenen beschavingen blootleggen met niets meer dan een penseel en een krabbertje. Ik wou journalist worden. Ik zou schrijven voor hen die geen stem hebben en op de barricades gaan staan. Ik zou fotograaf worden. Ik zou de wereld rondreizen en de prachtigste dingen op de gevoelige plaat vastleggen. Ik zou schilderen, niemand minder dan Monet achterna. Ik zou het Incapad lopen, liefst de hele 23.000 km lang, maar iets haalbaarder leek me van ergens aan de grens met Bolivië tot Machu Picchu in Peru.”

“Waarom vertel je dat?” vraagt ze. “Ik probeer terug te gaan in de tijd, om te achterhalen wie ik ben, als ik nièt ziek ben. Het leek me handig om mijn kinderdromen even onder de loep te nemen. Maar dit zijn eigenlijk puberdromen, ik ga misschien niet ver genoeg terug.”

Ik laat deze puberdromen een paar minuten aan mijn geestesoog voorbij trekken. “En eigenlijk hé mama, op de keper beschouwd, wie zegt dat ik deze dromen niet leef? Nu? Ergens wel, toch?” “Leg eens uit?” vraagt ze, terwijl ze het antwoord al perfect weet.

“Ik bèn die archeoloog. Ik ga met de weinige kennis voorhanden en met een engelengeduld op zoek om die Borrelia en Babesia en Bartonella en Joost mag weten wat nog allemaal bloot te leggen. Ze weten zich zo goed te verstoppen dat je het een hoog geëvolueerde “verdwenen” beschaving zou kunnen noemen.

Ik bèn die journalist. Ik zwijg niet meer, ik vertel mijn verhaal, en daarmee spreek ik voor al diegenen die dat niet meer kunnen vanuit hun verduisterde kamer, of nog erger, vanuit hun graf.

Ik bèn die fotograaf. Ik zie een zweefvlieg op mijn kruiden in de tuin en vind het verbazingwekkend dat ik met mijn fototoestel zijn frêle vleugeltjes kan vastleggen op papier, en daarmee kan raken als was het het mooiste schepsel op aarde. Ik bèn die schilder. Achter mijn keukenraam in de zon ben ik Monet, die zijn ziel laat spreken op doek in de meest schitterende kleuren.

En verdomme, ik loop dat Incapad! Ik loop het al jaren. Langs de diepste ravijnen, voorbij bergen en dalen, met een rugzak vol vergaarde kennis, ervaringen en moed. Met blaren op mijn voeten, reikhalzend uitkijkend naar Machu Picchu als het eindpunt van mijn reis, achter elke bocht.”

“Mooi is dat”, zegt ze, “Schrijf daar maar eens over!” “Ja, maar daarmee weet ik het nog niet. Wie ik ben, als ik nièt ziek ben.”

Enkele dagen later stapt manlief in mijn nog warme Epsom Salt detox-bad. Het is rond kerst.

“Ik weet het niet meer schat. Wat komen we hier eigenlijk doen? Welk doel dient dit alles? Waar willen ze met ons naartoe?”

Blijkbaar ben ik niet de enige in huis met grote levensvragen. Ik denk even na terwijl ik me afdroog. En dan bekruipt me een verfrissende gedachte.. “Misschien kunnen we voorlopig gewoon aannemen dat we hier gekomen zijn om ons kleine wonder op de wereld te zetten, en verder maar gewoon wat aan te modderen?

Ik vind dat persoonlijk een bevrijdende gedachte, jij? Neemt meteen heel wat druk van onze schouders. Lijkt me wel een beetje hoe Maria en Jozef zich moeten gevoeld hebben. Zo, die kleine is geboren. Voor ons zit het erop, missie volbracht. Wat zullen we nou eens gaan doen.

Niks? Ok, prima. En toch weet iedereen na meer dan 2000 jaar nog wie die mensen waren. Minimale inspanning, maximaal resultaat!”

We barsten in lachen uit. “Ja,” zegt hij “zouden die ook overal achter zijn veren gezeten hebben? Dju Jezus, laat die bedelaars nu toch eens met rust! Nee, je mag niet in die tempel! Zwijg jongen, wat zullen de mensen wel niet van je denken? Waar ga je met al die broden en vissen naartoe? Doe eens normaal man!”

Net na Nieuwjaar komt er een bevriend koppel op bezoek. “ Wat denk je hiervan,” zegt hij in sappig Hollands, guitig over zijn ietsiepietsie brilletje kijkend, “misschien zijn we allemaal één grote kosmische grap. Misschien kunnen we maar beter gewoon lachen met alles.

Kijken we naar boven en zeggen we : Is het dit nou, denk je me daarmee klein te krijgen? Zal ik jou eens wat laten zien dan?”

We moeten er hartelijk om lachen. Ik weet wel zeker dat we geen kosmische grap zijn. Dat ben ik dus al niet, als ik nièt ziek ben. Wie ik dan wel ben?

Tja, daar zijn héle dikke boeken over geschreven, over die vraag, dat krijg ik heus niet opgelost in een miezerig blogpostje… :)

Saar 

Read 2324 times Last modified on Wednesday, 06 January 2016 16:32
Huib

Huib Kraaijeveld

Initiator On Lyme Foundation